Het is zes uur, maandagochtend. De schoonmaakploeg op de UT begint aan een nieuwe werkweek. Eén van die vroege werkvogels is Olaf Bierman. Zes keer per week gaat zijn wekker om 5.00 uur ’s ochtends af. De dag begint met een kop koffie, de belevenissen van afgelopen weekend en ergernissen over het belabberde spel van FC Twente tegen Feyenoord. Dan is het al snel hoog tijd om de boel aan te pakken. ‘Eerst even een emmer met water vullen en mijn kar ophalen’, zegt Bierman. De kar vol schoonmaakspullen - zoals een mop, dweil, ‘rugstofzuiger’ en meerdere poetsdoeken - duwt hij richting zijn vaste werkplek, het Educafé. ‘Ik zie al dat er een feestje is geweest. Kijk, hier kom je de eerste plakkerige biervlekken al tegen. Dat moet ik straks goed dweilen.’ Terwijl hij de deuren van het Educafé opent, dringt een herkenbare walm door de opening naar buiten. ‘Je ruikt dat hier is gefrituurd’, zegt hij lachend.
Van pizzadozen tot een verdwaalde rugzak
Het voorgevoel van Bierman over een feestje blijkt te kloppen als hij in de eerste de beste vuilcontainer spiekt, die hij tegenkomt. Het ligt vol kartonnen pizzadozen. ‘Er zitten ochtenden bij dat ik honderd á honderdvijftig kilo aan afval weggooi. Dat zijn vier van zulke otto’s’, vertelt hij. Ondertussen maakt hij zich klaar voor zijn eerste schoonmaakklus: stofzuigen. Terwijl hij zijn ‘rugstofzuiger’ omdoet en de riemen rond zijn schouders strakker trekt, zegt hij: ‘Het is elke dag weer iets anders dat je tegenkomt. Dat maakt het werken op een campus ook weer leuk. Zo stond ik ’s ochtends een keer oog in oog met een gigantisch springkussen in de Starbucks’, vertelt Bierman, terwijl hij zich ondertussen ontfermt over een achtergebleven rugzak.
'Het voelt eervol als ik wegga en alles weer schoon is'
De schoonmaker krijgt anderhalf uur de tijd om de klus in het Educafé te klaren. Door de grote ruimte en de vele studieverenigingen, is het werk in de Starbucks pittig. Volgens hem heeft het Educafé dan ook een naam opgebouwd. ‘Sommige collega’s willen hier niet meer werken. Het is qua tijd best krap, want die anderhalf uur heb ik echt wel nodig’, zegt Bierman, die het werk inmiddels een jaar doet. Maar ondankbaar werk vindt hij het niet, met in het achterhoofd wetende dat hij morgen opnieuw chaos kan aantreffen. ‘Het voelt voor mij eervol als ik wegga en alles weer schoon is. Je weet dat hier geleefd wordt, dus het is niet vervelend als het de volgende dag weer een klerezooi is.’ En hij ziet nog iets positiefs in zijn taken. ‘Ik ben lekker actief en daardoor voel ik mij fitter, waardoor ik niet meer naar de sportschool hoef.’
Monnikenwerk
Even verderop is collega Gerry Folkers in de gangen van de Zilverling druk in de weer. Folkers kent de UT op haar duimpje, want ze werkt al ruim twintig jaar op de universiteit. Naast haar reguliere schoonmaakwerk geeft ze leiding aan een team van twaalf medewerkers. Haar team voert werkzaamheden uit in de Waaier, Citadel, Hal-B, Zilverling en het Educafé. Trots vertelt ze: ‘De afwisseling tussen zaken regelen en schoonmaken maakt het voor mij tot de leukste baan die er is. We zijn een hecht team en doen alles samen.’ Ondertussen ontgrendelt ze de deuren van een grote collegezaal. ‘Kijk, hier hebben we ook altijd een flinke klus aan. Eén keer per week neemt iemand alle achthonderd klaptafels in deze zaal af. Sommige zalen tellen er zelfs meer. Monnikenwerk!’
Folkers legt uit dat haar werk bestaat uit goed plannen, want rond half negen gaan de eerste UT-medewerkers aan de slag. ‘Daarom stellen we prioriteit aan het schoonmaken van de collegezalen. Onze piek ligt tussen zes en negen uur. De werkdruk is dan ook hoog. Voor een gang met drie toiletblokken hebben we bijvoorbeeld drie kwartier de tijd. En soms zijn die zo vies dat ik denk; dat doe je thuis toch ook niet?’
‘Soms denk ik; dat doe je thuis toch ook niet?'
Poep en confetti
Eén van de schoonmaaksters die boent in zo’n toiletblok is Romy Kiel. Zij weet precies wat Folkers bedoelt. ‘Soms kom je voor vervelende verrassingen te staan. Dan is er poep aan de muren gesmeerd. Dat maakt het werk wel eens vervelend.’ Ook feesten en evenementen, zoals een oratie, bezorgen vaak extra werk. ‘Bij sommige bijeenkomsten schieten mensen van die confettikanonnen af. Die feestelijkheden worden niet altijd naar ons gecommuniceerd, waardoor we het ’s ochtends dan pas ontdekken. Zoiets neemt meer tijd in beslag om op te ruimen. Hetzelfde geldt voor renovaties die bouwvakkers uitvoeren…zij lopen continu zand naar binnen.’
Toch vindt Kiel juist de evenementen op de UT het leukste. Zo staan aankomende vrijdag en zaterdag in het teken van de open dagen. ‘Ik doe dan nog beter mijn best, want ik wil de nieuwe mensen goed ontvangen. Een paar maanden geleden kwam bijvoorbeeld ook de koning langs. Als team voelen we dan de verantwoordelijkheid om alles tiptop in orde te hebben. Op die dagen valt ons werk meer op dan op gewone werkdagen. Medewerkers zien ons en dus ook ons werk niet altijd, omdat we zo vroeg beginnen.’
Het is inmiddels bijna half negen. Langzaamaan stromen de gebouwen steeds meer vol met medewerkers en studenten. Klaar voor een nieuwe werkdag in een fris kantoor en een kraakhelder lab. Voor de meeste schoonmakers zit de dienst er bijna op. En morgen begint gewoon alles opnieuw.